CRvB 3 januari 2001, ECLI:NL:CRVB:2001:AA9927
Ter beschikking stellen als bedoeld in art. 37a Sr naar voorlopig oordeel niet vergelijkbaar met een gedwongen plaatsing op grond van art. 37.1 Sr of een opame op grond van Wet Bopz. De president stelt voorop dat niet in geschil is dat verzoeker, gelet op het bepaalde in art. 1, aanhef en onder k van de WAO, op 1 mei 2000 rechtens zijn vrijheid was ontnomen, zodat gedaagde, gelet op het bepaalde in art. 43 van de WAO en het overgangsrecht bij de Wsg, gehouden was de WAO-uitkering van verzoeker ingaande 1 juni 2000 in te trekken. Ten aanzien van de stelling van verzoeker dat een ter beschikking stelling als bedoeld in art. 37a Sr vergelijkbaar is met een gedwongen plaatsing op grond van art. 37, eerste lid, Sr of een opname op grond van de Wet Bopz, welke maatregelen op grond van art. 1 van de WAO, anders dan een tbs, niet als het rechtens ontnemen van de vrijheid worden aangemerkt, merkt de president allereerst op dat naar voorlopig oordeel niet gesproken kan worden van gelijke gevallen. Deze drie vormen van gedwongen plaatsingen vertonen weliswaar diverse raakvlakken, doch verschillen onderling aanzienlijk met name ten aanzien van de gronden waarop tot plaatsing kan worden besloten en ten aanzien van het rechtsregime tijdens de plaatsing. Nu geen sprake is van gelijke gevallen komt de president niet toe aan de vraag of de verschillende behandeling van deze vormen van gedwongen plaatsingen in strijd is met algemene rechtsbeginselen, waaronder het gelijkheidsbeginsel. Daarbij merkt de president, strikt genomen ten overvloede, nog op dat het hier de toepassing van een bepaling van een wet in formele zin betreft, en dat de Raad zich in constante rechtspraak heeft aangesloten bij het oordeel van de Hoge Raad, inhoudende dat art. 120 Grondwet (mede) een verbod inhoudt om de wet (in formele zin) te toetsen aan algemene rechtsbeginselen (HR 14 april 1989, AB 1989, 207, Harmonisatiewetarrest). Van "niet door de wetgever verdisconteerde omstandigheden", welke volgens diezelfde rechtspraak aanleiding zouden kunnen vormen strikte wetstoepassing achterwege te laten, is in het onderhavige geval ook niet gebleken. Uit de wetsgeschiedenis van de Wsg blijkt immers dat de wetgever, mede naar aanleiding van het advies van de Raad van State, expliciet aandacht heeft geschonken aan het onderscheid tussen de hiervoor genoemde drie groepen en -zij het summier- gemotiveerd daarbij is gebleven. Ten aanzien van de stelling van verzoeker dat het verlof dat hij geniet gelijkgesteld moet worden met proefverlof als bedoeld in art. 51 Bvt, merkt de president op dat er een wezenlijk onderscheid bestaat tussen het verlof als bedoeld in art. 50 Bvt, dat verzoeker geniet, en het proefverlof. Uit art. 53 van het Rvt volgt immers dat verlof als bedoeld in art. 50 Bvt onderscheiden wordt in verschillende vormen, beginnend met begeleid verlof en eindigend met onbegeleid verlof met meer dan twee overnachtingen. Nadat deze verschillende vormen van verlof zijn doorlopen kan proefverlof verleend worden dat geheel buiten de inrichting wordt doorgebracht. Voorts volgt uit het bepaalde in de artt. 41 en 79 Rvt dat tijdens het verlof bedoeld in art. 50 Bvt een zak- of kleedgeld wordt verstrekt aan verpleegden zonder inkomen, terwijl de noodzakelijke kosten van het bestaan tijdens proefverlof niet ten laste van de Staat komen. Ter zitting is gebleken dat verzoeker op 1 juni 2000 onbegeleid verlof zonder overnachting genoot. Dit betreft dus een van de vormen van verlof als bedoeld in art. 50 Bvt. Voor een gelijkstelling van dit verlof met een proefverlof ziet de president, gelet op het hiervoor overwogene, geen aanleiding. Tevens is de president van oordeel dat gelet op de hiervoor genoemde verschillen tussen de beide vormen van verlof niet gezegd kan worden dat sprake is van gelijke gevallen. Dit laatste geldt evenzeer voor het door verzoeker genoemde penitentiair programma, nu dat programma slechts kan worden gevolgd door personen aan wie een vrijheidsstraf is opgelegd en de noodzakelijke kosten van het bestaan tijdens dit programma niet ten laste van de Staat komen (...). Volgt afwijzing verzoek. Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde. mr. T.L. de Vries Wet sociale zekerheidsrechten gedetineerden (Wsg) XV WAO 43.5, 47b Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (Bvt) 50, 51 Reglement verpleging ter beschikking gestelden (Rvt) 53
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 120 Gw
- Artikel 37 Sr
- Artikel 37a Sr
- Artikel 18 Berw
- Artikel 21 Berw
- Artikel 1 WAO
- Artikel 43 WAO
- Artikel 47b WAO
- Artikel 8:75 Awb
- Artikel 8:81 Awb
- Artikel 41 Rvt
- Artikel 53 Rvt
- Artikel 79 Rvt
- Artikel 50 BVTG
- Artikel 51 BVTG
- Artikel 4 PBW
- Artikel 1 Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden