CRvB 19 december 2000, ECLI:NL:CRVB:2000:AA9654

Advies van een indicatieorgaan als bedoeld in art. 9a AWBZ is geen publiekrechtelijke rechtshandeling als bedoeld in art. 1:3, eerste lid Awb. Hoger beroep van rechtbank Zwolle d.d. 25 augustus 1999, ECLI:NL:RBZWO:1999:AB0604. Afwijzing aanvraag om eiseres in aanmerking te brengen voor zorg in de vorm van duurzaam verblijf en verzorging in verzorgingshuis. Een positief of negatief advies van een indicatieorgaan als bedoeld in art. 9a AWBZ kan niet worden aangemerkt als een beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling, als bedoeld in art. 1:3, eerste lid Awb. Weliswaar volgt uit art. 9b AWBZ dat overlegging van een positief advies van een indicatieorgaan voorwaarde is voor het tot gelding kunnen brengen van een aanspraak op zorg als bedoeld in art. 9a, eerste lid AWBZ, doch het enkele feit dat de wet aan deze overlegging rechtsgevolg verbindt, is naar 's Raads oordeel onvoldoende om te kunnen zeggen dat het indicatieorgaan door zijn advies de aanspraak van een verzekerde op zorg ingevolge de AWBZ bepaalt, beperkt of ontneemt en dusdoende een rechtshandeling verricht. Uit de omstandigheid dat de wetgever uitdrukkelijk heeft voorzien in de mogelijkheid heroverweging te vragen van het advies valt veeleer af te leiden dat hem niet voor ogen heeft gestaan dat het advies moet worden beschouwd als een besluit in de zin van art. 1:3, eerste lid Awb, aangezien voor besluiten een heroverwegingsmogelijkheid is geopend in art. 7:1 Awb. Het feit dat tegen een advies van een indicatieorgaan inzake de aanspraak van een verzekerde op zorg ingevolge de AWBZ niet zelfstandig de rechtsmiddelen van de Awb kunnen worden aangewend, doet niet tekort aan de rechtsbescherming van verzekerden. Grieven gericht tegen de juistheid van de indicatiestelling, de zorgvuldigheid van de totstandkoming of de deugdelijkheid van de motivering ervan kunnen naar voren worden gebracht in het kader van bezwaar of beroep tegen het besluit van het ziekenfonds of de zorgverzekeraar inzake de aanspraken van de verzekerde op zorg. Het verzoek van gedaagde om heroverweging van het advies is door appellant ten onrechte aangemerkt als bezwaar in de zin van art. 7:1 Awb en derhalve ten onrechte ongegrond in plaats van niet-ontvankelijk verklaard. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd. Inleidend bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Lokaal Indicatieorgaan Almere, appellant. mrs. M.I. 't Hooft, J.M.A. van der Kolk-Severijns, R.M. van Male

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen