CRvB 7 september 2000, ECLI:NL:CRVB:2000:AA8326
Militair die weigerachtig is deel te nemen aan de onderhavige taken van de krijgsmacht is slechts beperkt inzetbaar en ongeschikt te achten als bedoeld in art. 39, tweede lid, onder j, van het AMAR. Met aanwijzing van appellant om deel te nemen aan de VN-operatie UNPROFOR is gedaagde niet in strijd gekomen met het bepaalde in art. 98 van de Grondwet. Met de stelling dat het voorkomen van conflicten elders in de wereld - hetgeen wordt beoogd met de onderhavige uitzendingen in VN-verband - valt onder de bescherming van de belangen van de Staat als bedoeld in art. 98 Grondwet, heeft gedaagde naar het oordeel van de Raad, mede gelet op de memorie van toelichting bij de Rijkswet van 5 maart 1998, Stb. 138, welke wet heeft geleid tot wijziging van (de tekst van) die bepaling, aan dit grondwetsart. immers een uitleg gegeven waarvan niet gezegd kan worden dat die zich niet verdraagt met de inhoud en strekking van die bepaling. De Raad deelt gedaagdes standpunt dat een militair als appellant die weigerachtig is deel te nemen aan de onderhavige taken van de krijgsmacht slechts beperkt inzetbaar is en ongeschikt is te achten als bedoeld in art. 39, tweede lid, onder j, van het AMAR. Die ongeschiktheid geldt niet alleen de laatstelijk door de militair vervulde functie, maar alle voor hem bestemde functies binnen de krijgsmacht. Beperkte inzetbaarheid van appellant is eigen keus geweest. Raad dan ook van oordeel dat gedaagde op goede gronden heeft geweigerd appellant een wachtgelduitkering toe te kennen. De Staatssecretaris van Defensie, gedaagde. mrs. W. van den Brink, H.A.A.G. Vermeulen, G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
De uitspraak op rechtspraak.nl