CRvB 7 juni 2000, ECLI:NL:CRVB:2000:AA7189
Of Lisv voldoende voortvarend heeft gehandeld t.a.v. zijn terugvorderingsbevoegdheid, moet worden gerekend vanaf het tijdstip waarop het vermoeden rees dat mogelijkerwijs ten onrechte uitkering was betaald. Terugvordering van een bedrag ad f 11.197,94 aan teveel betaalde uitkering. Raad: De Raad stelt voorop dat voor de beoordeling of appellant bij de hantering van zijn -in hoger beroep niet bestreden- terugvorderingsbevoegdheid voldoende zorgvuldigheid heeft betracht, hier i.h.b. in de zin van voldoende voortvarendheid, moet worden gerekend vanaf het tijdstip waarop het vermoeden rees dat mogelijkerwijs ten onrechte uitkering was betaald, i.c. begin april 1993, zoals ook de rechtbank heeft aangenomen. Dat zodoende op verkapte wijze het -niet beroepen- intrekkingsbesluit aan een zorgvuldigheidstoets wordt onderworpen, zoals appellant heeft betoogd, vermag de Raad niet in te zien. Het moge zo zijn dat het intrekkingsbesluit een noodzakelijke voorwaarde is voor de terugvorderingsbevoegdheid, dit betekent niet dat bij de beoordeling of de behandelingsduur in verband met het terugvorderingsbesluit aan de zorgvuldigheidsnorm beantwoordt slechts de termijn vanaf de datum van het intrekkingsbesluit in ogenschouw mag worden genomen. Voorts is de Raad, met de rechtbank, van oordeel dat appellant door een termijn van ruim drie jaar te laten verlopen alvorens tot afgifte van het terugvorderingsbesluit over te gaan, de grenzen van de hier aan te leggen zorgvuldigheidsmaatstaf heeft overschreden. Een belanghebbende als A heeft er recht op binnen een redelijke termijn zekerheid te verkrijgen omtrent zijn rechtspositie, niet alleen maar zeker ook vanuit het oogpunt van zijn wettelijke bevoegdheid om zich tegen een besluit als het onderhavige in rechte te verweren. Dat A zelf geen actie heeft ondernomen om die zekerheid te verkrijgen, kan in dit geval naar het oordeel van de Raad slechts weinig gewicht in de schaal leggen, aangezien het hier gaat om een belastende beschikking, terzake waarvan het bevoegde orgaan nog geen enkel standpunt had ingenomen; in dit verband wijst de Raad erop dat de brief van 31-8-1993, waarin de mogelijkheid van terugvordering was vermeld, afkomstig was van de GMD, zijnde een, destijds, adviserende instantie t.b.v. appellant. De Raad heeft voorts moeten constateren dat van de zijde van appellant terzake van de behandelingsduur geen verklaring is gegeven die aanleiding zou kunnen vormen hem op dat punt geen of minder verwijt te maken. Het gegeven dat appellant tot het tijdstip waarop het thans bestreden besluit is afgegeven geen standpunt terzake van terugvordering had ingenomen, brengt overigens mee, zoals appellant terecht heeft betoogd, dat het onderhavige bestuurshandelen niet mede kan worden getoetst aan art 6 EVRM. Om het tijdsverloop i.v.m. bestuurshandelen bij de redelijke termijn van geschilbeslechting als bedoeld in art. 6.1 EVRM te betrekken, dient er sprake te zijn van een geschil, d.w.z. dat -tenminste- een standpunt van, i.c., het bestuursorgaan kenbaar is, terzake waarvan mag worden aangenomen, of duidelijk is gemaakt, dat de wederpartij het daarmee niet eens is en zich daartegen in rechte wil verzetten (zie bijv. de arresten van het EHRM inzake Schouten en Meldrum vs Nederland, RSV 1995/256, en Vallée vs Frankrijk d.d. 26 april 1994, series A no. 289). Op dat punt treft het hoger beroep doel. Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant; mrs. N.J. Haverkamp, F.P. Zwart, T.L. de Vries
De uitspraak op rechtspraak.nl