CRvB 29 juni 2000, ECLI:NL:CRVB:2000:AA7187
Bevoegdheid om uitvoerende besluiten te nemen berust daar waar die o.g.v. de algemene bestuursbevoegdheid van het Ctsv thuishoort, nl. bij het bestuur van het Ctsv. Verweerder heeft besloten tot toekenning van uitkering ingevolge Rijkswachtgeldbesluit 1959 m.i.v. 17-4-1996, gedurende 11 maanden en 26 dagen ter hoogte van 80% van de bezoldiging waarop eiser voorafgaand aan zijn ontslag aanspraak had. Voorts heeft verweerder tot verrekening van de bezoldiging waarop eiser ingevolge art. 4.2 rechtspositieregeling aanspraak op had. Rechtbank heeft bestreden besluit vernietigd onder onbevoegdverklaring van verweerder om op appellants verzoek te besluiten. Raad: De Raad stelt voorop dat de rechtbank terecht heeft geconstateerd dat de rechtspositieregeling die de Staatssecretaris SoZaWe bij besluit van 16-2-1995 heeft vastgesteld niet regelt wie t.a.v. de leden van het bestuur van het Ctsv bevoegd is ter uitvoering van het in die regeling bepaalde besluiten te nemen. Naar het oordeel van de Raad vloeit daaruit evenwel niet zonder meer voort dat het evengenoemde Staatssecretaris zou zijn aan wie die bevoegdheid bij gebreke van enige regeling ter zake toekomt. In art. 7.1 OSV is aan de Staatssecretaris regelgevende bevoegdheid met betrekking tot de rechtspositie van de leden van het bestuur van het Ctsv toegekend. Die bevoegdheid omvat niet vanzelfsprekend de bevoegdheid om uitvoerende beslissingen te nemen. Bij gebreke van een uitdrukkelijke aanwijzing van het gezag bevoegd om op een wachtgeldaanvrage van een bestuurslid een beslissing te nemen zal dan ook op andere wijze moeten worden nagegaan of de Staatssecretaris van SoZaWe en gedaagde terecht laatstgenoemde bevoegd hebben geacht om op appellants verzoek om wachtgeld te beslissen. Het Ctsv is een bestuursorgaan, dat in art. 2.2 Osv is aangewezen als zelfstandige rechtspersoon naar publiek recht. Er moet dan ook van worden uitgegaan dat aan het Ctsv een algemene bestuursbevoegdheid toekomt met betrekking tot het nemen van rechtspositionele besluiten ten aanzien van in zijn dienst aangestelde ambtenaren, indien opgedragen. In art. 7.1 Osv is aan de Minister (i.c. de Staatssecretaris) van SoZaWe slechts regelgevende bevoegdheid m.b.t. de rechtspositie van bestuursleden toebedeeld. Mede in aanmerking nemend dat de Staatssecretaris, gebruikmakend van deze regelgevende bevoegdheid in art. 8 van de door hem vastgestelde rechtspositieregeling heeft bepaald dat de aanspraken op grond van die regeling ten laste komen van het Ctsv ziet de Raad aanleiding om te oordelen dat de bevoegdheid om uitvoerende besluiten te nemen is blijven berusten daar waar die op grond van de algemene bestuursbevoegdheid van het Ctsv thuishoort, te weten bij gedaagde. Bestuur van het College van toezicht sociale verzekeringen, gedaagde. mrs. W. van den Brink, J.C.F. Talman, A. Beuker-Tilstra
De uitspraak op rechtspraak.nl