CRvB 1 augustus 2000, ECLI:NL:CRVB:2000:AA6851
Bij de beoordeling van een schadevordering, gebaseerd op de onrechtmatigheid van een besluit van voor de inwerkingtreding van de Awb, moet art. 3:310.1 BW in die zin worden uitgelegd dat de verjaringstermijn niet eerder een aanvang neemt dan op het tijdstip dat de schuldeiser zijn vordering in rechte kan instellen. Afwijzing verzoek om vergoeding van wettelijke rente na vernietiging door Centrale Raad van Beroep bij uitspraak van 15 mei 1996 van besluit van 2 mei 1988 tot weigering van een ZW-uitkering op de grond dat de vordering tot schadevergoeding op grond van art. 3:310 BW is verjaard, waarbij de verjaringstermijn is aangevangen op de datum van het besluit van 2 mei 1988. Door vernietiging van het besluit van 2 mei 1988 is komen vast te staan dat dit besluit van de aanvang af onrechtmatig was. Bij de beoordeling van de verjaring van de vordering tot vergoeding van de schade, waarbij de verplichting tot schadevergoeding niet berust op een administratiefrechtelijke bepaling maar is gebaseerd op een onrechtmatige daad van een bestuursorgaan, dient aansluiting te worden gezocht bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht. De vraag of de onderhavige schadevordering is verjaard, wordt dan ook in beginsel beheerst door het BW. Aan het bepaalde in art. 3:310 BW ligt ten grondslag dat de gelaedeerde een rechtsvordering heeft. In een geval als i.c. was het niet mogelijk om een - ontvankelijke - vordering tot schadevergoeding bij de civiele rechter in te stellen. Immers, indien gedaagde na het ontstaan van de schade in mei 1988 een vordering tot vergoeding van die schade aanhangig had gemaakt bij de civiele rechter, zou zij daarin niet-ontvankelijk zijn verklaard, op de grond dat eerst in een bestuursrechtelijke procedure dient komen vast te staan dat het bestuursorgaan een onrechtmatige daad heeft gepleegd. Gelet op het voorgaande en onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 28-10-1994, NJ 1995, 139, wordt geoordeeld dat bij de beoordeling van een schadevordering, welke is gebaseerd op de onrechtmatigheid van een besluit van een bestuursorgaan dat dateert van voor de inwerkingtreding van de Awb, art. 3:310.1 BW redelijkerwijs in die zin moet worden uitgelegd dat de verjaringstermijn niet eerder een aanvang neemt dan op het tijdstip dat de schuldeiser zijn vordering in rechte kan instellen, i.c. derhalve niet eerder dan op 15 mei 1996, zijnde de datum van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, waarbij het besluit van 2 mei 1988 is vernietigd. De conclusie is dan ook dat de vordering van gedaagde tot schadevergoeding ten tijde van het nemen van het primaire schadebesluit nog niet was verjaard. Bevestiging van uitspraak rechtbank Breda van 22 oktober 1997 inzake no. 97/182 WET WOE, voor zover aangevochten, ECLI:NL:RBBRE:1997:AA7770. het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant. mr. Ch. van Voorst, mr. Ch.J.G. Olde Kalter, mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans
De uitspraak op rechtspraak.nl