CRvB 20 juli 2000, ECLI:NL:CRVB:2000:AA6775
Gelet op art. II.4 BWOO dienen vanaf 01-01-1996 arbeidsuren, i.c. naar omvang van één dag per week, buiten beschouwing te blijven voor berekening van vermindering van omvang uitkeringsrecht. Appellant heeft alle door gedaagde verrichte arbeidsuren in mindering gebracht op gedaagdes uitkeringsrecht. De Rechtbank is van oordeel dat de arbeid die gedaagde reeds voor het intreden van haar werkloosheid verrichtte, buiten beschouwing moet worden gelaten. CRvB: Bij lezing van art. II.4 BWOO is niet direct helder wat wordt bedoeld met het begrip "inkomsten die ontstaan zijn na het tijdstip van werkloosheid" resp. "inkomsten die al bestonden voor de toekenning van de ontslaguitkering" in relatie tot de berekening van de omvang van het uitkeringsrecht a.b.i. art. 6 BWOO. Bij de berekening van die omvang staan immers niet de inkomsten centraal, maar - onder meer - de arbeidsuren. Wat betreft de arbeidsuren die gedaagde blijkens haar opgave aan appellant op 01-11-1993 verrichtte in het bedrijf van haar echtgenoot is van belang dat deze zijn aan te merken als arbeidsuren waarmee geacht moet worden inkomen te zijn verworven. Niet alleen betrof het hier, naar tussen partijen ook niet in geschil is, arbeid waarvoor in het maatschappelijk verkeer redelijkerwijs beloning kan worden verlangd, maar in feite kwam zodanige beloning ook toe aan gedaagde, aangezien de opbrengst van het bedrijf, waaraan gedaagde haar arbeid besteedde, ten deel viel aan gedaagde en haar echtgenoot gezamenlijk. De Raad onderkent dat de werkzaamheden van gedaagde vanaf 04-09-1995 niet alleen zijn uitgebreid, maar ook op een andere wijze zijn beloond, maar de Raad acht die wijziging in de aard van de beloning niet van zodanige betekenis, dat enkel daardoor het karakter van de arbeidsuren op een voor de toepassing van art. II.4 in verbinding met art. 6 BWOO relevante wijze is veranderd. Daarvan uitgaande is de Raad van oordeel dat, gelet op het bepaalde in art. II.4 voormeld, vanaf 01-01-1996 arbeidsuren naar een omvang van één dag per week, te stellen op 8 uren, bij de toepassing van art. 6, derde en vierde lid, BWOO buiten beschouwing dienen te blijven voor de berekening van de vermindering van de omvang van het uitkeringsrecht van gedaagde. De Raad merkt hierbij nog op dat namens gedaagde wel is betoogd dat zij op 01-11-1993, anders dan in haar aanvraag om wachtgeld was vermeld, gemiddeld twee dagen per week in het betrokken bedrijf placht te werken, maar zulks is op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt, zodat de Raad daaraan verder voorbij zal gaan. Aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, appellant. mrs. W. van den Brink, J.C.F. Talman, J.H. van Kreveld
De uitspraak op rechtspraak.nl