CRvB 1 mei 2000, ECLI:NL:CRVB:2000:AA6356

Omvang van de restitutieverplichting (25 ROMKLu) volgt de omvang van de dienverplichting en niet andersom. Appellant is, op zijn verzoek, aangewezen om een MBA-opleiding 1996-1998 te volgen. Op 12 februari 1999 heeft appellant een ontslagaanvraag ingediend. Verweerder heeft hierop afwijzend beslist. Het beroep dat tegen de handhaving van het bestreden besluit is ingediend is ongegrond verklaard. Raad: Er is geen sprake van een op appellant rustende dienverplichting. Het ontbreken van een bepaling als art. 4 van de Regeling opleidingen militairen Koninklijke landmacht 1990, die aan de orde was in de zaak waarover de Raad op 24 juni 1999 onder de nummers 99/1792 MAW-VV en 99/1789 MAW, uitspraak heeft gedaan, en waarin is voorgeschreven dat de voorafgaande schriftelijke instemming van betrokkene met de dienverplichting is vereist, maakt zulks niet anders. De aard en het ingrijpende karakter van de dien- verplichting brengen met zich dat omtrent het bestaan van een dergelijke verplichting geen twijfel mag bestaan. Gelet op die aard en dat karakter mag ook niet uit de opgelegde restitutieverplichting - waarvan, in het licht van de destijds geldende jurisprudentie van de Raad, aannemelijk is dat deze verplichting als enig mogelijk geachte is opgelegd - worden afgeleid dat er een daarmee overeenkomende dienverplichting zou gelden. Dit ligt te minder in de rede omdat blijkens art. 25 van de ROMKLu de (omvang van de) restitutieverplichting de (omvang van de) dienverplichting "volgt", en niet andersom. Vernietigt aangevallen uitspraak. Staatssecretaris van Defensie, gedaagde. mrs. W. van den Brink, H.A.A.G. Vermeulen, J.C.F. Talman

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen