CRvB 10 september 1999, ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8528
De omstandigheid dat betrokkene niet over een verblijfstitel beschikt wordt ten onrechte in het kader van art. 2 onder e van het Schattingsbesluit geplaatst, nu de in dit artikel bedoelde kenmerken op andere aspecten betrekking hebben dan die waarop betrokkene doelt. Zo betrokkene als gevolg van andersoortige regelgeving dan betreffende het sociaal verzekeringsrecht, te weten verblijfsrechtelijke bepalingen, niet in staat is arbeid te verkrijgen, is dit niet toe te schrijven aan de bij betrokkene bestaande beperkingen uit ziekte of gebreken. Die omstandigheid moet derhalve voor de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene buiten beschouwing worden gelaten. Nog daargelaten of deze bepaling moet worden beschouwd als een ieder verbindende bepaling als bedoeld in art. 93 en 94 Grondwet, kan het beroep op art. 18 lid 2 van het Europees Verdrag inzake de rechtspositie van migrerende werknemers niet slagen, omdat uit die bepaling niet voortvloeit dat op het betreffende uitvoeringsorgaan de verplichting rust de arbeidsongeschiktheidsuitkering van de betrokkene ongewijzigd voort te zetten ook al heeft de betrokken verzekerde op grond van de AAW en de WAO daarop geen aanspraak.
De uitspraak op rechtspraak.nl