CRvB 29 juli 1997, ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7083

Partijen houdt verdeeld de vraag of terecht is geoordeeld dat de aan ged. bij besluit van 3/11/95 toegekende RWW-uitkering terugvorderbaar is gesteld tot een bedrag van maximaal f 4.692,30. De Raad overweegt dienaangaande dat evengenoemde mededeling in het besluit van 3/11/95 dient te worden aangemerkt als een kennisgeving omtrent mogelijke terugvordering die naar het oordeel van de Raad informatief van aard is en niet kan worden geacht te zijn gericht op enig rechtsgevolg. Derhalve kan deze mededeling niet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 Awb waartegen ingevolge de artikelen 7:1 Awb en 8:1 Awb bezwaar, respectievelijk beroep is opengesteld. Het vorenstaande brengt met zich, dat appellant het bezwaar van gedaagde gericht tegen evengenoemde mededeling, ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard. Derhalve had de rechtbank het bestreden besluit op deze grond dienen te vernietigen. De aangevallen uitspraak kan echter, zij het met verbetering van gronden, in stand blijven, voor zover daarin het inleidend beroep tegen het bestreden besluit van gedaagde van 27/2/96 gegrond is verklaard. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarin is bepaald dat gedaagde een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De Raad acht voorts termen aanwezig om onder toepassing van artikel 8:72.4 Awb zelf in de zaak te voorzien, en te bepalen dat het bezwaar van gedaagde alsnog niet-ontvankelijk wordt verklaard. Mede gelet op het feit dat appellant in het (primaire) besluit van 3-11-1994 ten aanzien van de mededeling met betrekking tot terugvordering een onjuist rechtsmiddel heeft aangegeven, dient appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep te worden veroordeeld, welke kosten zijn begroot op f 1420,- als kosten van verleende rechtsbijstand bij de Raad.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen