CRvB 3 juli 1997, ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7044
Schriftelijk antwoord op verzoek actuele tijd als voor pensioen geldige diensttijd aan te merken is niet op rechtsgevolg gericht. Eiser, gewezen lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, ontvangt een uitkering op grond van art. 51 Appa; tevens genereert hij inkomen als hoogleraar-in-deeltijd. Hij verzocht de Minister van Binnenlandse Zaken te verklaren dat zijn uitkeringstijd zal meetellen als voor pensioen geldige diensttijd. Bij brief d.d. x wordt het verzoek afgewezen, op grond van art. 59.7.a (oud). Bij het bb is het bezwaar tegen die brief ongegrond verklaard. CRvB Dit is ten onrechte gebeurd; het bezwaar had n.o. verklaard moeten worden. De (inhoud van) de brief d.d. x is reactie op verzoek nu al standpunt in te nemen over het voor pensioen geldig zijn van uitkeringstijd en zo niet op rechtsgevolg gericht; aldus ligt niet een besluit in de zin van art. 1:3 Awb voor dat voor bezwaar vatbaar is. Zie art. 110 Appa, inhoudend dat eerst bij de beschikking tot toekenning van pensioen o.g.v. de Appa de voor het pensioen meetellende tijd wordt vastgesteld. Zie in gelijke zin CRvB 5-3-1998, 96/11410 ABP, betreffende de uitleg van art. S 2 in verband met art. O 2.
De uitspraak op rechtspraak.nl