CRvB 31 december 1996, ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6577
De tijdens detentie in een Huis van Bewaring verrichte arbeid is niet verricht in een dienstbetrekking in de zin van art. 3 of in een arbeidsverhouding als bedoeld in de art. 4 en 5. Evenmin kan die arbeid worden aangemerkt als werkzaamheden in de zin van art. 8, eerste lid onder a, als omschreven in onder meer RSV 1990/345. De setting waarbinnen betrokkene die arbeid verricht wordt zodanig overheerst door diens gevangenschap, dat iedere vergelijking met de in de art. 3, 4 en 5 vervatte begrippen dienstbetrekking en arbeidsverhouding en met de in art. 8 bedoelde werkzaamheden mank gaat. Een restrictieve uitleg van art. 17, tweede lid aanhef en onder a in die zin dat voor het vaststellen van de referteperiode van 52 weken alleen die perioden buiten aanmerking worden gelaten waarin de werknemer niet heeft kunnen werken uitsluitend als gevolg van ziekte of arbeidsongeschiktheid, is in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever, althans met die bedoeling zeker niet in strijd. De strekking van de verlengingsregeling is geen andere dan die van de onder de oude WW geldende verlengingsregeling.
De uitspraak op rechtspraak.nl