CRvB 19 december 1995, ECLI:NL:CRVB:1995:ZB5617

Een inhouding ter aflossing van een schuld moet iedere maand waarin deze wordt toegepast worden aangemerkt als het verrichten of nalaten van een handeling als bedoeld in art. 34 (nieuw) ABW. Hieraan doet niet af, dat t.a.v. eerdere inhoudingen inmiddels rechtens onaantastbare beslissingen zijn genomen. Ingevolge art. 62 (oud) ABW geschiedt verhaal in rechte van kosten van bijstand uit krachte van een rechterlijke beschikking (van de kantonrechter). Dit laat blijkens de wetsgeschiedenis onverlet de mogelijkheid ter zake een minnelijke regeling te treffen. In een situatie als de onderhavige, waarbij sprake is van een rechterlijke beschikking, is inhouding ter aflossing van de uit genoemde beschikking opeisbare schuld geoorloofd binnen de grenzen als bedoeld in art. 475 d Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, mits voorafgaande aan de eerste keer daarover schriftelijk aan betr. mededeling is gedaan. In 95/6070 RWW, dd 25-6-1996 is herhaald inhouding ter aflossing van een bestaande schuld mogelijk is indien ter zake van de terugbetaling met de bijstandsontvanger een minnelijke schikking is getroffen (verwezen ook nog naar een uitspraak van de ABRS 26-7-1994, nr G04.93.0316).

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen