CRvB 29 december 1992, ECLI:NL:CRVB:1992:AK9814
Betrokkenen hadden van hun gefailleerde werkgever nog loon tegoed. Hun nieuwe werkgever schoot hun onder bepaalde, in een ‘akte van cessie’ nader omschreven, voorwaarden een bedrag (nagenoeg) gelijk aan het hun nog toekomende netto loon voor. Voor de beantwoording van de vraag of de BV gehouden is krachtens de in hoofdstuk IV WW neergelegde overnemingsregeling een uitkering te verstrekken is essentieel dat betrokkenen geen afstand hebben gedaan van hun jegens hun gefailleerde werkgever bestaande loonaanspraak, en dat de ‘akte van cessie’ in elk geval impliciet uitgaat van een terugbetalingsverplichting van het door de nieuwe werkgever voorgeschoten bedrag. Gelet op onder meer de omstandigheid dat ter zake van de onderhavige leningen een post als vordering op de balans van de nieuwe vennootschap is opgevoerd en dat de ondernemingsleiding zich gerechtigd acht betrokkenen tot terugbetaling aan te spreken heeft de BV zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de vorderingen van betrokkenen op hun gefailleerde werkgever zijn voldaan. Evenmin kan gezegd worden dat betrokkenen die vorderingen hebben prijsgegeven, kwijtgescholden of aan een derde hebben overgedragen.
De uitspraak op rechtspraak.nl