CRvB 10 september 1991, ECLI:NL:CRVB:1991:AK9486
Uitgaande van de bedoeling van de wetgever om een sluitende regeling te geven voor de overneming van uit dienstbetrekking voortvloeiende verplichtingen bij onmacht van de werkgever, waaruit de Raad afleidt dat beoogd is de onder de oude WW bestaande lacunes tussen uitkering ingevolge hoofdstuk III en hoofdstuk IIIa van die wet, met de inwerkingtreding van de nieuwe WW zo veel mogelijk te dichten, ziet de Raad aanleiding om in het kader van de toepassing van hoofdstuk IV van de nieuwe WW als ‘de dag van opzegging van de dienstbetrekking’, als vermeld in art. 64, onder a, aan te merken de dag waarop naar burgerlijk recht rechtsgeldig is opgezegd c.q. de schriftelijke mededeling van zodanige opzegging door de werknemer is ontvangen, dan wel, in gevallen van conversie, de dag waarop de eerdere (nietige) opzegging geacht moet worden effect te hebben verkregen. In dit laatste geval is dit dus de dag waarop de werknemer kennis heeft kunnen nemen van de ontslagvergunning. Er is eerst dan sprake van ‘een later dan het daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komende moment’ als bedoeld in art. 64, onder a, indien en zodra gesteld moet worden dat de bij opzegging van een dienstbetrekking betrokken partijen niet adequaat hebben gereageerd op een voorhanden situatie. Uitgangspunt bij de door de BV alsdan vast te stellen dag waarop de dienstbetrekking (naar het oordeel van laatstgenoemde) redelijkerwijs had moeten worden opgezegd, dient te zijn het moment waarop een dienstbetrekking, met inachtneming van de daarvoor geldende bepalingen zou zijn opgezegd indien alle partijen wel adequaat op de voorhanden situatie gereageerd zouden hebben. Dit uitgangspunt heeft tot gevolg dat een BV niet kan kiezen voor een datum waarop opzegging (nog) niet rechtsgeldig kon geschieden indien de bij die opzegging betrokken partijen adequaat op de voorhanden situatie hebben gereageerd.
De uitspraak op rechtspraak.nl