CRvB 24 juli 1990, ECLI:NL:CRVB:1990:ZB5779
Belanghebbendes beschikbaarheid tot het verkrijgen van werk was uitsluitend gericht op een bepaalde werkgever die in verband met een concurrentiebeding, tot het beschikbaar stellen van werk niet in staat, althans niet bereid was. Onder die omstandigheden was de beschikbaarheid volstrekt illusoir, miste elke realiteitswaarde en was belanghebbende derhalve op en na 1 juni 1987 niet werkloos. Hetgeen in art. 16, lid 5, omtrent de eerste dag van werkloosheid is bepaald, kan daaraan niet afdoen, reeds niet, omdat het ook in dat voorschrift, evenals in art. 16, lid 1, gaat om werkloosheid. Aan art. 16, lid 5, kan niet die inhoud, betekenis of strekking worden toegekend dat op grond van dat voorschrift een eerste dag van werkloosheid zou kunnen bestaan zonder dat er op die dag tevens sprake is van werkloosheid als bedoeld in art. 16, lid 1. Met betrekking tot het voldoen aan het vereiste van beschikbaarheid voor arbeid ontstond een andere situatie toen belanghebbende zijn beschikbaarheid niet langer beperkte tot uitsluitend werk voor genoemde ene bepaalde werkgever en uitbreidde tot werkzaamheden in een andere werkkring. Alstoen kreeg zijn beschikbaarheid voor arbeid wel degelijk een reële inhoud.
De uitspraak op rechtspraak.nl