Centrale Grondkamer 19 maart 2019, ECLI:NL:CG:2019:1
Centrale Grondkamer, pachtrecht [artikel 7:325 lid 3 en 4 BW] [artikel 36 lid 1 en 3 van de Uitvoeringswet grondkamers] Goedkeuring van door de pachtrechter schriftelijk vastgelegde (reguliere) pachtovereenkomst. Ontvankelijkheid. Geen goedkeuring van kortere duur. De grondkamer, en in beroep de Centrale Grondkamer, dienen bij de goedkeuring van een door de pachtrechter schriftelijk vastgelegde pachtovereenkomst uit te gaan van en zich te beperken tot wat door de pachtrechter met betrekking tot die pachtverhouding is vastgelegd. In dit geval heeft de pachtrechter (de pachtkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden) een reguliere pachtovereenkomst voor de duur van één jaar tussen pachter en verpachter vastgelegd. Oordelende dat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 7:325 lid 4 BW en dat de algemene belangen van de landbouw door de gevraagde goedkeuring niet worden geschaad, heeft de grondkamer goedkeuring verleend aan de korte duur van één jaar. Pachter wenst dat de Centrale Grondkamer in beroep alsnog goedkeuring verleent voor de wettelijke duur van 6 jaar. De Centrale Grondkamer beoordeelt eerst of pachter ontvankelijk is in zijn beroep. Artikel 36 lid 3 van de Uitvoeringswet grondkamers bepaalt onder meer dat door de pachter of de verpachter geen beroep kan worden ingesteld indien de pachtovereenkomst ongewijzigd wordt goedgekeurd. Dit is een uitzondering op de regel in artikel 36 lid 1 van de Uitvoeringswet grondkamers, waarin kort gezegd staat dat tegen de beschikkingen van de grondkamer aan partijen binnen een maand, nadat de beschikking aan hen is verzonden, beroep openstaat bij de Centrale Grondkamer. Die uitzondering mag echter niet naar analogie worden toegepast op beschikkingen van de grondkamer waarbij op grond van artikel 7:325 lid 4 BW de korte duur van een pachtovereenkomst is goedgekeurd, zoals in dit geval door de grondkamer bij haar beschikking is gedaan. Pachter is dus ontvankelijk in zijn beroep tegen die beschikking. De Centrale Grondkamer oordeelt dat er geen grond is voor goedkeuring van de pachtovereenkomst voor de kortere duur van één jaar. De Centrale Grondkamer wijzigt de overeengekomen duur daarom in de wettelijke duur van zes jaar. Gelet op het bepaalde in artikel 7:322 lid 1 BW gaat die duur in bij de aanvang van het pachtjaar volgende op dat waarin de overeenkomst is ingezonden naar de grondkamer. De Centrale Grondkamer keurt de aldus gewijzigde overeenkomst goed.
De uitspraak op rechtspraak.nl