Centrale Grondkamer 20 juni 2018, ECLI:NL:CG:2018:3

Centrale Grondkamer, pachtrecht [artikel 36 lid 3 van de Uitvoeringswet grondkamers] (Niet-)ontvankelijkheid in beroep Verpachter heeft de grondkamer verzocht om de pachtovereenkomst, zoals opgetekend in het echtscheidingsconvenant van verpachter en pachter, te registreren. Het echtscheidingsconvenant vermeldt: “Gedurende de periode, dat de vrouw de eigendom heeft van de percelen cultuurgrond (…) worden deze percelen middels een geliberaliseerde pachtovereenkomst als bedoeld in artikel 7:397 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek, telkens voor een periode van vijf jaar aan de man ter beschikking gesteld, waartoe de man zich bij deze verplicht. De door de pachter te betalen pachtprijs bedraagt (…) voor het jaar 2012. De hiervoor vermelde pachtprijs (…) zal voor de volgende jaren worden verhoogd met de jaarlijkse stijging van het CBS-consumentenprijsindex. De daarop rustende waterschapslasten en ruilverkavelingsrente komen voor rekening van de pachter.” De grondkamer heeft de overeenkomst ongewijzigd goedgekeurd. De grondkamer heeft daartoe overwogen, kort gezegd; - dat ervan moet worden uitgegaan dat verpachter heeft bedoeld te vragen om goedkeuring van de overeenkomst; - dat de beantwoording van de rechtsvragen of wat is overeengekomen in het echtscheidingsconvenant moet worden gekwalificeerd als een op schrift gestelde pachtovereenkomst, als een reguliere pachtovereenkomst dan wel als een geliberaliseerde pachtovereenkomst van zes jaar of langer in de zin van artikel 7:397 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek, bij uitsluiting is voorbehouden aan de pachtrechter; - dat de grondkamer die rechtsvragen in het kader van de procedure evenwel bij wijze van voorvragen moet beantwoorden en dat zij genoemde passage uit het echtscheidingsconvenant aanmerkt als een geliberaliseerde pachtovereenkomst als bedoeld in artikel 7:397 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek voor een duur van vijf jaar en - dat zij geen bezwaren heeft tegen de inhoud van de pachtovereenkomst. Pachter is in beroep gekomen. De Centrale Grondkamer oordeelt als volgt. Omdat de grondkamer de haar ter goedkeuring voorgelegde pachtovereenkomst ongewijzigd heeft goedgekeurd, is pachter, gelet op artikel 36 lid 3 van de Uitvoeringswet grondkamers, niet-ontvankelijk in zijn beroep. Ten overvloede voegt de Centrale Grondkamer het volgende toe. Pachter heeft in beroep aan de orde gesteld of genoemde passage uit het echtscheidingsconvenant een pachtovereenkomst is en zo ja, of de (reguliere dan wel geliberaliseerde) pachtovereenkomst een onbepaalde duur heeft, omdat pachter volgens de tekst van dat artikel aan de pachtovereenkomst blijft gebonden. Het is niet aan de Centrale Grondkamer in deze procedure daarop te beslissen. Wil(len) pachter en/of verpachter duidelijkheid over het antwoord op die vragen, dan zal/zullen hij/zij die vragen ter beslissing moeten voorleggen aan de pachtkamer van de bevoegde rechtbank respectievelijk de pachtkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen