CBb 30 juni 2026, ECLI:NL:CBB:2026:296

Accountantstucht. Hoger beroep. Klacht tegen een accountant die jaarrekeningen van de (inmiddels ontbonden) maatschap van klager en zijn oudoom heeft samengesteld. Een agrarisch bedrijfsadviseur, die werkzaam was binnen dezelfde groep van ondernemingen als de accountant, heeft advieswerkzaamheden verricht voor de maatschap van klager en zijn oudoom, waaronder advies over de ontvlechting van de maatschap. In hoger beroep keert klager zich tegen de ongegrondverklaring door de accountantskamer van zes klachtonderdelen. Deze klachtonderdelen hebben betrekking op werkzaamheden in het kader van de ontvlechting van de maatschap en die werkzaamheden zijn feitelijk niet door de accountant verricht, maar door de agrarisch bedrijfsadviseur. Klager heeft niet aannemelijk gemaakt dat de agrarisch bedrijfsadviseur bij die werkzaamheden werkte onder verantwoordelijkheid van de accountant. Het College is met de accountantskamer van oordeel dat de accountant niet tuchtrechtelijk verantwoordelijk is voor de door agrarisch bedrijfsadviseur verrichtte fiscale en bedrijfseconomische advieswerkzaamheden in het kader van de ontvlechting van de maatschap. Op de zitting heeft het College door klager ingediende stukken geweigerd wegens strijd met de goede procesorde. Klager had namelijk die stukken eerst dertien dagen voor de zitting ingediend, terwijl hij gelet op de datering van die stukken al geruime tijd over die stukken beschikte. Ook ontbrak een onderbouwing waarom de stukken betrekking hebben op de door klager aangevoerde hogerberoepsgronden. Het hoger beroep is ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken