CBb 28 mei 2026, ECLI:NL:CBB:2026:210

Besluit huis- en hobbydierenlijst (het Besluit). Het Besluit bevat 314 afzonderlijke besluiten tot aanwijzing of niet-aanwijzing van diersoorten die gehouden mogen worden. Het gaat om dertig beslissingen tot het aanwijzen van diersoorten en 284 beslissingen tot het niet aanwijzen van diersoorten. Deze 314 individuele beslissingen zijn elk afzonderlijk aan te merken als een concretiserend besluit van algemene strekking naar soort waartegen bezwaar en beroep openstaat. De minister heeft zich laten adviseren door de Wetenschappelijke Adviescommissie Positieflijst (WAP) en het Adviescollege huis- en hobbydierenlijst (Adviescollege). De aangevochten individuele beslissingen tot het niet aanwijzen van diersoorten vormen de objecten van toetsing. Aan die beslissingen ligt een advies van het Adviescollege ten grondslag. Het advies van het Adviescollege berust weer op de beoordelingssystematiek die de Wetenschappelijke Adviescommissie Positieflijst (WAP) heeft ontwikkeld. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de adviezen van de WAP en het Adviescollege niet voldoen aan de beginselen van onafhankelijkheid, deskundigheid en doorzichtigheid. De systematiek die de WAP en het Adviescollege hebben gehanteerd, is wetenschappelijk verantwoord en is juist toegepast. Het uitgangspunt van de minister dat een diersoort alleen op de lijst kan worden geplaatst als het dier door eenieder kan worden gehouden en het dierenwelzijn van het dier is gewaarborgd, is aanvaardbaar. Ook is de wijze van beoordelen door de minister in overeenstemming met de eisen van het Europees recht waaronder het voorzorgsbeginsel. De minister heeft ook deugdelijk gemotiveerd waarom hij houderijvoorschriften, -oplossingen en -maatregelen niet bij de beoordeling heeft betrokken. Het strikt toepassen van de door de WAP ontwikkelde en door het Adviescollege nader uitgewerkte beoordelingssystematiek zou ertoe hebben geleid dat diersoorten als honden, katten en paarden niet zouden zijn aangewezen als soorten die gehouden mogen worden. Het Adviescollege heeft het “domesticatie”-criterium ontwikkeld. Zoogdiersoorten met populaties die zich in een vergevorderd stadium van het domesticatieproces bevinden heeft de minister aangewezen als soorten die gehouden mogen worden. De reden daarvoor is dat de minister het risico voor mens en dier van het houden van deze soorten beperkt acht, gelet op een viertal omstandigheden. Het College is van oordeel dat de minister het “domesticatie”-criterium heeft mogen gebruiken. Het College acht de door de minister gekozen toepassing van het “domesticatie”-criterium in het licht van de proportionaliteitseis die voortvloeit uit het Andibel-arrest te beperkt. De minister had moeten bezien of er aanleiding bestond de soorten dromedaris, jak, chinchilla en Russische dwerghamster om bestuurlijke redenen op basis van het domesticatiecriterium toch aan te wijzen. Het College is verder van oordeel dat niet deugdelijk is gemotiveerd waarom bij de soort katoenrat is uitgegaan van de soort afkomstig uit wildvang. De minister heeft namelijk erkend dat de soort katoenrat in Nederland niet voorkomt, maar uitsluitend buiten de EU. De soort katoenrat wordt dus hoogstens geïmporteerd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken