CBb 31 maart 2026, ECLI:NL:CBB:2026:134

Bestuurlijke boete, hoger beroep en incidenteel hoger beroep – Op grond van artikel 6 van het EVRM moet de rechter toetsen of de hoogte van de opgelegde boete in redelijke verhouding staat tot de ernst en de verwijtbaarheid van de overtreding. Voor bij wettelijk voorschrift vastgestelde boetebedragen, waarvan in deze zaak sprake is, vormt artikel 5:46, derde lid, van de Awb het kader waarbinnen die evenredigheidstoets wordt voltrokken. Als in een stelsel van bij wettelijk voorschrift vastgestelde boetebedragen niet of nauwelijks wordt gedifferentieerd op basis van feiten en omstandigheden die voor de evenredigheid van het boetebedrag van belang kunnen zijn, kan eerder de noodzaak bestaan om in een concreet geval van dit boetestelsel af te wijken. Het is aan de overtreder om aannemelijk te maken dat zulke feiten en omstandigheden in het concrete geval aan de orde zijn en moeten leiden tot een lagere boete. Het College oordeelt dat de rechtbank op goede gronden aanleiding heeft gezien om op grond van artikel 5:46, derde lid, van de Awb de boete te matigen, en dat er geen aanleiding is om de boete verder te matigen dan de rechtbank heeft gedaan.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken