CBb 18 februari 2025, ECLI:NL:CBB:2025:78
Correctie S&O-verklaring, omdat de directeur-grootaandeelhouder (dga) van de onderneming (S&O-inhoudingsplichtige) voor de door hem verrichte uren in januari tot en met november 2020 niet op de loonlijst van de onderneming stond en om die reden geen werknemer was in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wva. Naar het oordeel van het College heeft de minister de correctie-S&O-verklaring ten onrechte afgegeven. De minister heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom tussen de onderneming en de dga in de periode van januari tot en met november 2020 geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking en hij bijgevolg vanaf dat moment geen werknemer was van de onderneming. Er bestond daarom geen grond voor het oordeel dat de onderneming niet heeft voldaan aan de verplichting van artikel 24, tweede lid, van de Wva door daarin geen mededeling te doen dat minder S&O-uren zijn gerealiseerd dan in de S&O-verklaringen zijn opgenomen. De dga heeft in de periode januari tot en met november 2020 arbeid verricht en er is geen aanleiding om te veronderstellen dat er in die periode geen gezagsverhouding bestond tussen de dga en de onderneming. De onderneming heeft voor de in die periode verrichte arbeid ook loon uitbetaald. Het is daarom aannemelijk dat er ook in die periode sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Anders dan waarvan de minister uitgaat, kan uit het feit dat de onderneming pas per 1 december 2020 een bedrag aan loon heeft uitbetaald aan de dga niet worden afgeleid dat vóór die datum voor de onderneming geen verplichting tot het betalen van loon bestond voor de door de dga in die periode verrichte arbeid. De onderneming heeft toegelicht dat zij door omstandigheden pas in oktober 2020 een administratiekantoor heeft ingeschakeld om haar financiële zaken en belastingzaken te regelen en daardoor pas in december 2020 de loonbelastingaangifte voor 2020 heeft gedaan en het loon heeft uitbetaald. Dat de onderneming en de dga pas per 1 december 2020 een schriftelijke arbeidsovereenkomst hebben ondertekend, is ook niet van doorslaggevend belang voor de beoordeling vanaf wanneer sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Een arbeidsovereenkomst kan eerder ook mondeling of stilzwijgend zijn aangegaan. De omstandigheid, dat de Belastingdienst in het kader van de aangifte loonbelasting op grond van artikel 4, aanhef en onder d, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wlb) is uitgegaan van een fictieve dienstbetrekking, maakt dit oordeel niet anders. Dit artikellid is bedoeld om groepen van personen waarbij twijfel kan bestaan of zij in dienstbetrekking werkzaam zijn, maar van wie de arbeidsverhouding sterk met die van een dienstbetrekking overeenstemt, onder de heffing van loonbelasting te kunnen brengen. Die twijfel speelt hier niet, omdat er wel van kan worden uitgegaan dat de dga werkzaam was in een dienstbetrekking.
De uitspraak op rechtspraak.nl