CBb 25 november 2025, ECLI:NL:CBB:2025:619

Uit het vaststellingsverzoek heeft de minister terecht afgeleid dat de onderneming de aankoopverplichting al op 14 november 2022 is aangegaan en daaruit terecht geconcludeerd dat de onderneming onjuiste gegevens heeft verstrekt. Als de minister ten tijde van de aanvraag zou hebben geweten dat de aankoopverplichting al op 14 november 2022 was aangegaan zou hij de aanvraag hebben afgewezen. Voor een zakelijke aanvraag, zoals door de onderneming gedaan, geldt op grond van artikel 22, eerste lid, aanhef en onder c, van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies namelijk dat de minister een aanvraag voor een subsidie moet afwijzen als niet wordt voldaan aan het vereiste van stimulerend effect. Dit vereiste houdt in dat de subsidie moet worden aangevraagd voordat tot aanschaf van apparaten – in dit geval twee warmtepompen – wordt overgegaan. Omdat de onderneming de subsidie pas na aanschaf van de warmtepompen heeft aangevraagd, is niet aan het vereiste van stimulerend effect voldaan. De minister was daarom op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht bevoegd om de verleende subsidie op nihil te stellen. De minister heeft ook van die bevoegdheid gebruik mogen maken. Het beroep van de onderneming op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Het beroep is ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken