CBb 19 augustus 2025, ECLI:NL:CBB:2025:421
Uit artikel 25b, derde lid, van de Uitvoeringsregeling meststoffenwet volgt dat indien de minister de vergunning voor een bepaald kalenderjaar heeft ingetrokken op grond van het eerste lid, de landbouwer voor het daaropvolgende kalenderjaar is uitgesloten van het kunnen doen van een aanvraag, bedoeld in artikel 25, eerste lid. Vast staat dat de minister de derogatievergunningen voor 2018 en 2019 van de maatschap met de besluiten van 7 oktober 2021 heeft ingetrokken. Dit betekent dat het rechtsgevolg van uitsluiting van deelname aan derogatie uit die besluiten voortvloeit. De afwijzing van de minister van de aanvraag om verlening van een derogatievergunning voor het jaar 2022 is dus geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht, omdat het rechtsgevolg van uitsluiting van deelname aan derogatie niet voortvloeit uit die afwijzing maar uit de besluiten van 2021. Dit betekent dat de minister het bezwaar van de maatschap tegen de afwijzing ten onrechte ongegrond heeft verklaard. De minister had, zoals hij ook nader aangeeft, het bezwaar tegen de afwijzing niet-ontvankelijk moeten verklaren.
De uitspraak op rechtspraak.nl