CBb 3 juni 2025, ECLI:NL:CBB:2025:323
Intrekking subsidievaststelling TVL Q3 van 2021 omdat de onderneming al een vergoeding heeft ontvangen op grond van de Wet verbod pelsdierhouderij. De uitsluitingsgrond (artikel 2.4.6, eerste lid, aanhef en onder g, van de TVL) is een geschikt, noodzakelijk en evenwichtig middel om te bereiken dat pelsdierhouders niet tweemaal een tegemoetkoming ontvangen voor dezelfde vaste lasten. De intrekking pakt in dit concrete geval niet zo nadelig uit dat de uitsluitingsgrond wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel buiten toepassing moeten worden gelaten. Geen geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel: de toepassing van de TVL kan leiden tot een verschillende uitkomst voor pelsdierhouders die wel en die niet een vergoeding hebben ontvangen door de voortgang van het verstrekken van vergoedingen op grond van de Wet verbod pelsdierhouderij. In de Beleidsregel wordt dit verschil in uitkomst bij de toepassing van de TVL zo veel mogelijk rechtgetrokken met de ‘spiegelbepaling’ van artikel 10 van de Beleidsregel. Het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel slaagt ook niet. De minister kwam er tijdens de behandeling van het bezwaar tegen de subsidievaststelling achter dat de vergoeding was toegekend, en niet al eerder. Het beroep is ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl