CBb 13 mei 2025, ECLI:NL:CBB:2025:301

Wet dieren. Hoger beroep. De minister heeft appellant een boete opgelegd van € 6.000,-, omdat appellant een varken vervoerde dat niet geschikt was voor het voorgenomen transport, nu het varken een prolaps vertoonde. Het College is, met de rechtbank, van oordeel dat de minister op grond van het rapport van bevindingen terecht heeft geconstateerd dat appellant de desbetreffende overtreding heeft begaan en dat de minister dus bevoegd was om de boete op te leggen. Op de zitting is met partijen besproken wat op de kleurenfoto’s, die bij het rapport van bevindingen zijn gevoegd, is waar te nemen. Het College is van oordeel dat die foto’s de bevindingen van de toezichthouder, zoals uiteengezet in het rapport van bevindingen, ondersteunen. Anders dan appellant heeft betoogd, vormen de foto’s dus geen reden om te twijfelen aan de juistheid van het rapport van bevindingen. Daarnaast volgt het College appellant niet in zijn betoog dat de verhoging van de boete wegens recidive onredelijk of onevenwichtig is. Uit de tekst van artikel 2.5, eerste lid, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren (Besluit) volgt namelijk niet de restrictie dat ook in het eerdere boetebedrag opgenomen verhogingen met nog eerder opgelegde boetes moeten voldoen aan, verkort weergegeven, de vijfjaarseis uit artikel 2.5, eerste lid, van het Besluit. Het College bevestigt de aangevallen uitspraak.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken