CBb 29 oktober 2024, ECLI:NL:CBB:2024:745
Schorsing erkenning. Appellante exploiteert een slachthuis. Zij beschikt over een door de minister op grond van artikel 6.3 van de Wet dieren toegekende erkenning. Nadat toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) in de periode van augustus tot medio december 2020 een groot aantal overtredingen hadden geconstateerd in het slachthuis van appellante, hebben medewerkers van de NVWA op 22 december 2020 gesproken met de directeur van appellante en hem meegedeeld dat er in het vervolg strikt volgens het ‘Handhavingsprotocol hygiënisch werken en (fecale) bezoedeling bij slachthuizen Landbouwhuisdieren met permanent toezicht' (handhavingsprotocol) zou worden gehandhaafd. Het College oordeelt dat de minister met de schorsing van de erkenning, en daarmee de feitelijke stillegging van het bedrijf van appellante, niet volgens het eigen handhavingsschema heeft gehandeld. Dit is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Het beroep van appellante moet alleen om die reden al gegrond worden verklaard. Het opleggen van de corrigerende maatregel vergt een schriftelijk besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Voor zover de minister meent dat deze maatregel mondeling rechtsgeldig kan worden opgelegd is dat onjuist. Aan de mondelinge aankondiging van de maatregel komt daarom geen betekenis toe. Voor zover de minister de op 14 januari 2021 geconstateerde bezoedelingen terecht als overtredingen heeft aangemerkt, mocht hij, gelet op het handhavingsschema, nog niet tot schorsing van de erkenning overgaan, omdat de daaraan voorafgaande corrigerende maatregel nog niet in werking was getreden. De minister heeft in strijd met het handhavingsschema gehandeld door de erkenning van appellante op dat moment al te schorsen. Appellante mocht er immers op grond van dit handhavingsschema van uitgaan dat eerst de corrigerende maatregel zou worden toegepast. Pas als ook die niet het gewenste effect zou hebben moest appellante met een schorsing van de erkenning rekening houden. Het beroep is om die reden al gegrond. Appellante heeft recht op vergoeding van haar immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.
De uitspraak op rechtspraak.nl