CBb 10 september 2024, ECLI:NL:CBB:2024:630
In deze zaak is de vraag aan de orde of de onderneming wist of kon weten dat sprake is van een situatie waarin de meldplicht van artikel 37, tweede lid, van het Kaderbesluit op haar van toepassing is. Het College beantwoordt deze vraag ontkennend. Dat voor het onderdeel onderzoek een ander subsidiepercentage wordt gehanteerd dan voor het onderdeel ontwikkeling, betekent naar het oordeel van het College niet dat de onderneming daaruit had moeten opmaken dat de subsidiabele kosten per afzonderlijke kostenpost berekend moesten worden. Ook kan daaruit niet worden afgeleid dat de onderneming een meldplicht heeft als in een individuele kostenpost sprake is van een kostenoverschrijding van meer dan 25%. Het College stelt vast dat de onderneming dat niet wist en is van oordeel dat zij dat ook niet kon of moest weten. Ook uit de tekst van het Kaderbesluit kon in dit geval niet worden afgeleid dat de onderneming een meldplicht had. Voor zover de minister de verlaging van de subsidie mede baseert op het standpunt dat sprake is van een essentiële wijziging van de begroting waarvoor de onderneming ontheffing had moeten vragen op grond van artikel 37, eerste en derde lid, van het Kaderbesluit, oordeelt het College dat deze verlaging hiermee onvoldoende is onderbouwd. Het beroep is gegrond en het College vernietigt het bestreden besluit. Het College ziet in het licht van finale geschilbeslechting aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat de subsidie wordt vastgesteld op het bedrag dat bij het subsidiebesluit aan de onderneming is verleend.
De uitspraak op rechtspraak.nl