CBb 28 mei 2024, ECLI:NL:CBB:2024:368
Aanvraag om erkenning, toelating en registratie als dierenarts in het Diergeneeskunderegister. Beroep tegen afwijzing gegrond. Appellante heeft een verklaring overgelegd als bedoeld in artikel 4.6 van de Regeling, zodat haar verkregen opleidingstitel op die grond voor automatische erkenning in aanmerking komt. Betreft een verklaring als bedoeld in artikel 23, zesde lid, van Richtlijn 2005/36 en bevat de twee elementen die volgens artikel 4.6 van de Regeling vereist zijn. De verklaring vermeldt dat de opleiding die heeft geleid tot “het officiële Spaanse universitaire diploma”, voldoet aan de minimum opleidingsvoorwaarden van Richtlijn 2005/36. Daarmee is voldaan aan artikel 4.6, aanhef en onder a, van de Regeling. Met de vermelding dat aan appellante het bewijs werd afgegeven van homologatie van haar in [land 1] behaalde titel tot het officiële [land 2] universitaire diploma dat recht geeft op de uitoefening van het beroep van dierenarts is voldaan aan artikel 4.6, aanhef en onder b, van de Regeling. De minister heeft de aanvraag van appellante ten onrechte afgewezen. Appellante komt op grond van artikel 5, eerste lid, van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties in combinatie met artikel 4.6 van de Regeling in aanmerking voor automatische erkenning van haar beroepskwalificatie. Het bestreden besluit wordt vernietigd en de minister wordt opgedragen binnen vier weken een nieuw besluit te nemen.
De uitspraak op rechtspraak.nl