CBb 23 april 2024, ECLI:NL:CBB:2024:289
Onderneming in moeilijkheden. Tussen partijen is niet in geschil dat de onderneming zelf niet is aan te merken als een OIM. Het geschil ziet op de vraag of de Groep waartoe de onderneming behoort, een OIM is. Daarnaast is niet in geschil dat de Groep is aan te merken als een OIM, als de leningen die door de aandeelhouder zijn verstrekt aan GMEL worden beschouwd vreemd vermogen. Waar partijen van mening over verschillen, is of de leningen moeten worden opgevat als eigen vermogen. Het College stelt vast dat leningen zoals in deze zaak aan de orde, niet vallen onder de elementen van “eigen vermogen” zoals bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, van de AGVV. De minister heeft bij de beoordeling of de Groep een OIM is, zich terecht gebaseerd op het eigen vermogen zoals blijkt uit de commerciële balans in de jaarrekening over 2019 van de Groep en vervolgens terecht vastgesteld dat de onderneming een OIM is. Evenredigheidsbeginsel: Het College vat het beroep van de onderneming dan ook zo op dat zij stelt dat artikel 2, onderdeel 18, van de AGVV in haar geval buiten toepassing moet worden gelaten. De vraag die moet worden beantwoord, is of een beroep op het nationale evenredigheidsbeginsel, het Unierecht opzij kan zetten. Het College is van oordeel dat dat niet kan.
De uitspraak op rechtspraak.nl