CBb 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:221
Beroep van de Bijenstichting tegen de toelating op basis van wederzijdse erkenning van de toelating van het Verenigd Koninkrijk voor het biocide Maxforce Quantum. De toelatingsaanvraag van de toelatingshouder ontbreekt in het dossier. Het College is van oordeel dat de Bijenstichting hierdoor niet is geschaad in haar verdediging. Het Ctgb heeft namelijk voldoende controleerbaar inzicht gegeven in de relevante gegevens. Uit deze gegevens blijkt dat de toelatinghouder tijdig een toelatingsaanvraag heeft ingediend. Het College is van oordeel dat het Ctgb bij de beoordeling van deze aanvraag terecht de Biocidenverordening heeft toegepast. Voor zover de Bijenstichting stelt dat het Ctgb de Biocidenrichtlijn had moeten toepassen, overweegt het College dat de vereisten uit de Biocidenverordening strenger zijn dan die uit de Biocidenrichtlijn en toepassing van die richtlijn voor de Bijenstichting geen gunstigere uitkomst kan opleveren. Over de op de zaak betrekking hebbende stukken oordeelt het College dat niet is gebleken dat de Bijenstichting door het ontbreken van een deel van de CAR is geschaad in haar verdediging. De Bijenstichting heeft verder niet toegelicht of en welke stukken ontbreken en waaruit zij dit afleidt. Over het gebruik van Maxforce Quantum ziet het College geen aanleiding te twijfelen aan de conclusies van het Ctgb dat de toepassing van Maxforce Quantum op zichzelf niet leidt tot onaanvaardbare risico’s voor bijen.
De uitspraak op rechtspraak.nl