CBb 27 februari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:132

Partijen zijn verdeeld over de vraag of het staatssteunplafond dat geldt voor de primaire landbouwproductie van toepassing is op deze onderneming. Daarbij is tussen partijen niet in geschil dat handel in levende dieren moet worden aangemerkt als afzet van landbouwproducten. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het gedurende enkele weken (laten) houden van kalveren zich laat kwalificeren als primaire landbouwproductie en het daarvoor geldende staatssteunplafond moet worden toegepast. Daarnaast speelt ook dat de onderneming in de subsidieperiode over grasland beschikte. De minister heeft in reactie op de vragen van het College terecht naar voren gebracht dat van belang is met welk doel de dieren worden gehouden. Het College is van oordeel dat uit de door de onderneming gegeven (nadere) toelichting, de feitelijke omstandigheden, en de kolommenbalansen blijkt dat met het (tijdelijk) onderbrengen van kalveren bij producenten sprake is van het in voorraad hebben of uitstallen met het oog op het verkopen, te koop aanbieden, leveren of op enige andere wijze verhandelen. De omvang van het perceel, 2,63 hectare, maakt dat als al sprake is van primaire landbouwproductie, dit in verhouding tot de overige activiteiten zo gering is dat deze bij de beoordeling van de voorliggende vraag buiten beschouwing moet blijven. Het College komt tot de conclusie dat de minister in dit geval ten onrechte het staatssteunplafond voor de primaire landbouwproductie heeft toegepast.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen