CBb 27 februari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:127
artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht; artikelen 2.5 en 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, in samenhang met artikel 3, aanhef en onder b, en artikel 6, derde lid, in samenhang met bijlage I, hoofdstuk I, paragraaf 1 en paragraaf 3, aanhef en onder a, van de Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer (de Transportverordening). De minister heeft aan een vervoerder van varkens in brieven medegedeeld en gewaarschuwd dat de vervoerder in strijd heeft gehandeld met de Transportverordening vanwege het niet geïsoleerd vervoeren van varkens met letsel. De minister heeft de bezwaren van de vervoerder niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij zich richten tegen mededelingen en waarschuwingen die niet gericht zijn op rechtsgevolg waardoor geen sprake is van besluiten. Het College is van oordeel dat inderdaad geen sprake is van besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb of een daaraan gelijk te stellen bestuurlijk rechtsoordeel. Daarom heeft de minister het bezwaar van de vervoerder tegen de mededelingen en waarschuwingen terecht niet-ontvankelijk verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl