CBb 14 november 2023, ECLI:NL:CBB:2023:627

De minister heeft een transporteur van levend pluimvee een boete opgelegd omdat zij heeft gehandeld in strijd met het voorschrift van punt 3 van Bijlage III, Sectie II, Hoofdstuk I, van Verordening 853/2004 (specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong). De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep van de transporteur gegrond verklaard, de beslissing op bezwaar vernietigd en het boetebesluit herroepen. Het College vernietigt de aangevallen uitspraak. Omdat de transporteur in het kader van het vervoer van pluimvee naar het slachthuis de levensmiddelenwetgeving moet naleven, moet zij worden aangemerkt als ‘exploitant van een levensmiddelenbedrijf’. Dat levende dieren zoals pluimvee niet onder het begrip ‘levensmiddel’ vallen, betekent niet dat levensmiddelenwetgeving geen voorschriften over levende dieren kan omvatten. Geen sprake twijfel over de juiste uitlegging van het relevante Unierecht die noopt tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het College verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep van de transporteur tegen het bestreden besluit ongegrond. De opgelegde boete van € 5.000,- is volgens het College passend en geboden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken