CBb 25 juli 2023, ECLI:NL:CBB:2023:389

Hoger beroep gegrond. De minister heeft ten tijde van het voornemen van 6 juni 2019 de maatschap inzicht geboden in de door hem gehanteerde (tolerantie-, zekerheids- of handhavings)marges. Verder is op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat de gestelde afvoer van dikke fractie heeft plaatsgevonden. Ook heeft de maatschap niet voldaan aan meerdere derogatievoorwaarden waardoor de minister terecht de derogatievergunning van de maatschap heeft ingetrokken. Tot slot heeft de minister ten onrechte een onjuiste feitcode aan een viertal overtredingen ten grondslag gelegd. Dit betekent dat de gedragingen die de minister de maatschap verwijt, gedragingen betreft die de maatschap niet heeft begaan.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde uitspraken