CBb 27 juni 2023, ECLI:NL:CBB:2023:327

Naar aanleiding van de ontvangen melding van de minister voor Rechtsbescherming was sprake van een vermoeden dat niet meer werd voldaan aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag. De staatssecretaris was op grond van artikel 82, zesde lid, van het Besluit personenvervoer 2000 bevoegd te verlangen dat opnieuw werd verzocht om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag. De staatssecretaris mocht van die bevoegdheid gebruik maken. Er is in zoverre geen strijd met het evenredigheidsbeginsel. Er is geen verklaring omtrent het gedrag overgelegd. Uit artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling gebruik boordcomputer en boordcomputerkaarten volgt dat de staatssecretaris de chauffeurskaart dan moet intrekken. Het was vaste rechtspraak van het College dat deze bepaling geen ruimte laat voor een door de staatssecretaris te maken belangenafweging. In het licht van recente rechtspraak over de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel contra legem, dat wil zeggen of deze wettelijke bepaling in dit geval buiten toepassing moet worden gelaten (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 11 oktober 2022, ECLI:NL:CBB:2022:695 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1225), ziet het College aanleiding die rechtspraak over artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling in zoverre te wijzigen dat aan een beoordeling van de evenredigheid van de intrekking van de chauffeurskaart kan worden toegekomen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken