CBb 17 januari 2023, ECLI:NL:CBB:2023:22

6e van een serie uitspraken. Hoger beroep van een veehouder tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam. De rechtbank had het beroep van de veehouder ongegrond verklaard. Dat beroep was gericht tegen een door de minister van VWS opgelegde boete van € 2100,- voor overtredingen (genummerd 1, 3, 4 en 5) van hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong. Het College stelt vast dat de veehouder geen gronden heeft aangevoerd tegen de overtredingen nummers 1, 3 en 4. De tegen overtreding nummer 5 aangevoerde hogerberoepsgrond slaagt niet. De minister heeft niet in strijd met zijn Interventiebeleid gehandeld door gebruik te maken van zijn bevoegdheid om de veehouder een boete op te leggen in plaats van hem een waarschuwing te geven. Gelet op de aard van de overtreden voorschriften die o.a. de bescherming van de gezondheid van de mens tot doel hebben en de door de minister genoemde omstandigheden, heeft de minister de overtreding terecht aangemerkt als een ernstige overtreding van de B-categorie, die mag worden gesanctioneerd met een boete. Het College is net als de rechtbank van oordeel dat een boete van € 525,- per overtreding passend en geboden is. Hoger beroep ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken