CBb 1 maart 2022, ECLI:NL:CBB:2022:90
Accountantstuchtrecht. Het College verklaart het hoger beroep van de accountant gegrond, voor zover gericht tegen de gegrond verklaarde klachtonderdelen en de aan hem opgelegde maatregel van waarschuwing. Het College verklaart het hoger beroep van klaagster eveneens gegrond, voor zover gericht tegen de ongegrondverklaring van het klachtonderdeel over de aangiften omzetbelasting. De bestreden tuchtuitspraak wordt in zoverre vernietigd. Het College doet met toepassing van artikel 43 van de Wtra de zaak zelf af. Wat betreft het klachtonderdeel over de aangiften omzetbelasting legt het College de accountant geen maatregel op. De Wtra voorziet niet uitdrukkelijk in de mogelijkheid om bij een gegrondverklaring van een klacht af te zien van het opleggen van een maatregel. Het College leidt hieruit af dat de Wtra ertoe strekt dat bij (gedeeltelijke) gegrondverklaring van een klacht – waaraan immers het oordeel vooraf gaat dat de betrokken accountant tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld – in beginsel een maatregel wordt opgelegd. Van dit beginsel kan slechts worden afgeweken in gevallen waarin sprake is van een zodanig geringe verwijtbaarheid van het handelen of nalaten van een accountant of waarin de verwijtbare gedraging anderszins van zodanig geringe betekenis is gelet op de specifieke omstandigheden van het geval dat oplegging van een maatregel niet is aangewezen. Naar het oordeel van het College is hier sprake van een dergelijk geval.
De uitspraak op rechtspraak.nl