CBb 15 november 2022, ECLI:NL:CBB:2022:761
Mestboete. Hoger beroep is ongegrond. Appellante heeft in strijd gehandeld met artikel 38, tweede lid, aanhef en onder a en i, en artikel 39 van het Uitvoeringsbesluit Msw. Ook heeft appellante in strijd gehandeld met artikel 49, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Msw. Het College ziet evenals de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de vermelding op p.6 van het rapport van bevindingen dat aan appellante de cautie is verleend ex artikel 5:10a Awb. Er is geen reden om de verklaringen niet als bewijs toe te laten. Verder heeft de rechtbank terecht het standpunt van de minister gevolgd dat geen sprake is van een inzichtelijke administratie. De opvatting van appellante dat de verplichting tot waarschuwen alvorens over te gaan tot boeteoplegging voortvloeit uit de wettelijke regeling en de proportionaliteit en evenredigheid, vindt naar het oordeel van het College geen steun in het recht. Tot slot is appellante er niet in geslaagd om de gestelde overmacht aannemelijk te maken.
De uitspraak op rechtspraak.nl