CBb 15 november 2022, ECLI:NL:CBB:2022:760
Mestboete. Het College bevestigt de aangevallen uitspraak. Appellante heeft in strijd gehandeld met de artikelen 56 en 122, derde lid, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Ook heeft appellante als vervoerder van mest in strijd gehandeld met artikel 53, tweede en derde lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet. Appellante betoogt tevergeefs dat ten onrechte de cautie ex artikel 5:10a niet is verleend. De minister heeft met de feitelijke constateringen, zoals beschreven in het rapport van bevindingen, aangetoond dat de geconstateerde overtredingen zijn begaan. De op 10 oktober 2019 afgegeven verklaring van de directeur en de chauffeur zijn dan ook niet relevant voor het bewijs van de overtredingen. Daarbij komt dat in het rapport van bevindingen uitdrukkelijk is vermeld dat op 20 september 2019 aan de chauffeur en op 10 oktober 2019 aan de directeur van appellante voorafgaand aan de verhoren de cautie is gegeven. Wat appellante heeft aangevoerd, geeft geen reden voor twijfel aan de juistheid van de inhoud van dit rapport. Verder is appellante niet in haar belangen geschaad nu zij eerst in de beroepsfase een afschrift heeft gekregen van het verslag van de hoorzitting. De stelling dat de minister in de beslissing op bezwaar ten onrechte de laagste boete wegneemt, vindt geen steun in het recht.
De uitspraak op rechtspraak.nl