CBb 15 november 2022, ECLI:NL:CBB:2022:759
Mestboete. Het College vernietigt de aangevallen uitspraak. De minister heeft op goede gronden de conclusie getrokken dat de aangemelde transporten niet hebben plaatsgevonden. Als de transporten uiteindelijk niet zijn uitgevoerd had appellante de aanmeldingen van de transporten elektronisch moeten intrekken. Door dit niet te doen heeft appellante artikel 57b, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling overtreden. Appellante is verder door de onjuiste vermelding van de feitcode niet in haar verdedigingsbelang geschaad. De systematiek en de uitgangspunten van de Awb ter zake van het beslissen op een bezwaarschrift brengen met zich dat een primair besluit in volle omvang wordt heroverwogen en dat deze heroverweging de gelegenheid biedt fouten te herstellen. De door appellante gestelde omstandigheid dat de agrariërs waar geladen moest worden verhinderd waren, waardoor in het geval van appellante sprake is van overmacht, heeft zij niet onderbouwd. Verder was de minister niet gehouden een zienswijze te vragen over zijn voornemen tot boeteoplegging. Appellante voert terecht aan dat zowel de minister als de rechtbank het matigingsbeleid dat de minister hanteert bij het oplegging van bestuurlijke boetes, onjuist toepast. Naar het oordeel van het College heeft de rechtbank ten onrechte niet onderkend dat de door de minister van belang geachte sterkere prikkelwerking uit de aard der zaak in dit geval nog niet aan de orde kon zijn, nu de bij besluit van 9 juni 2020 beboete gedragingen van appellante immers alle dateren van vóór het besluit van 26 februari 2020 waarbij appellante voor dezelfde soort overtreding is beboet. Dat appellante bij brief van 16 december 2019 is gewaarschuwd dat zij onder verscherpt toezicht was geplaatst en zij onder meer gecontroleerd zou kunnen worden op de overtreding met feitcode M491 doet aan het voorgaande niet af, omdat ook de overtredingen waarvoor de eerdere boetes zijn opgelegd na die datum hebben plaatsgevonden.
De uitspraak op rechtspraak.nl