CBb 15 november 2022, ECLI:NL:CBB:2022:758
Mestboete. Het College vernietigt de aangevallen uitspraak. Appellante heeft niet voldaan aan het bepaalde in artikel 57b, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 124, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Appellante is door de onjuiste vermelding van de feitcode niet in haar verdedigingsbelang geschaad. De systematiek en de uitgangspunten van de Awb ter zake van het beslissen op een bezwaarschrift brengen met zich dat een primair besluit in volle omvang wordt heroverwogen en dat deze heroverweging de gelegenheid biedt fouten te herstellen. Verder heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 5:53, derde lid, van de Awb, het bieden van de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen niet is vereist indien per overtreding een bestuurlijke boete van maximaal € 340,- kan worden opgelegd. Appellante voert terecht aan dat zowel de minister als de rechtbank het matigingsbeleid dat de minister hanteert bij het oplegging van bestuurlijke boetes, onjuist toepast. Naar het oordeel van het College heeft de rechtbank ten onrechte niet onderkend dat de door de minister van belang geachte sterkere prikkelwerking uit de aard der zaak in dit geval nog niet aan de orde kon zijn, nu de bij besluit van 13 maart 2020 beboete gedragingen van appellante immers alle dateren van vóór het besluit van 28 februari 2020 waarbij appellante voor dezelfde soort overtreding is beboet. Dat appellante bij brief van 16 december 2019 is gewaarschuwd dat zij onder verscherpt toezicht was geplaatst en zij onder meer gecontroleerd zou kunnen worden op de overtreding met feitcode M486 doet aan het voorgaande niet af, omdat ook de overtredingen waarvoor de eerdere boetes zijn opgelegd na die datum hebben plaatsgevonden.
De uitspraak op rechtspraak.nl