CBb 26 juli 2022, ECLI:NL:CBB:2022:457
Scheepvaarttuchtrecht. Tussen de Nederlandse viskotter van appellant en een onder buitenlandse vlag varende coaster heeft bij dichte mist op de Noordzee, net buiten de havenmonding, een aanvaring plaatsgevonden. Appellant was ’s morgens uitgevaren voor een vistocht. Aan boord van de viskotter bevonden zich - naast appellant (als kapitein), diens zoon en een hulp - twaalf betalende passagiers. Beide schepen zijn bij de aanvaring beschadigd geraakt. Het Tuchtcollege heeft geoordeeld dat appellant ernstig is tekortgeschoten in zijn functie als kapitein. Appellant heeft niet gehandeld zoals een verantwoordelijk kapitein betaamt, waardoor in het bijzonder de veiligheid van de passagiers en andere opvarenden van de viskotter ernstig in gevaar is gebracht. Ook beschikte appellant niet over de juiste papieren en heeft hij geen ongevalsmelding gedaan. Gezien de ernst van de gebleken gedragingen achtte het Tuchtcollege een geheel onvoorwaardelijke geldboete van € 2.500 op zijn plaats met daarnaast een voorwaardelijke ontzegging van de vaarbevoegdheid voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van twee jaar. Het daartegen gerichte hoger beroep van appellant wordt door het College ongegrond verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 1 Schepenwet
- Artikel 9 Schepenwet
- Artikel 4 Wet zeevarenden
- Artikel 5 Wet zeevarenden
- Artikel 18 Wet zeevarenden
- Artikel 20 Wet zeevarenden
- Artikel 55a Wet zeevarenden
- Artikel 56 Wet zeevarenden
- Artikel 1 Schepenbesluit 2004
- Artikel 2 Schepenbesluit 2004
- Artikel 6 Schepenbesluit 2004
- Artikel 67 Schepenbesluit 2004
- Artikel 2 Regeling veiligheid zeeschepen
- Artikel 3a Regeling veiligheid zeeschepen