CBb 31 mei 2022, ECLI:NL:CBB:2022:278
Landbouw. Graasdierpremie. Op grond van de Uitvoeringsregeling wordt graasdierpremie alleen verstrekt voor schapen die vanaf 15 mei tot en met 15 oktober van het jaar van aanvraag ononderbroken aanwezig zijn geweest op niet subsidiabele grond ten behoeve van extensieve begrazing. Met het oog op de aangevraagde graasdierpremie heeft verweerder opdracht aan de NVWA gegeven om een fysieke controle te verrichten van de percelen waar de schapen tijdens die controle werden aangetroffen. Uit de rapportage van de toezichthouder die ter plaatse is geweest volgt dat die percelen weliswaar binnen de RVO-referentielaag vallen, maar dat dit volgens de toezichthouder niet terecht is omdat het niet subsidiabele landbouwgrond betreft. Wanneer verweerder door een toezichthouder ter plaatse heeft laten controleren of de voor graasdierpremie opgegeven grond niet subsidiabele landbouwgrond betreft, maar vervolgens aan diens bevindingen twijfelt omdat deze niet stroken met de gegevens die verweerder over deze percelen in zijn register heeft opgenomen, gebiedt de zorgvuldigheid dat tenminste navraag wordt gedaan bij de toezichthouder over de wijze waarop deze tot zijn bevindingen is gekomen. Verweerder heeft zijn conclusie dat de beide percelen dienen te worden aangemerkt als subsidiabele landbouwgrond gebaseerd op een eigen beoordeling van luchtfoto’s, zonder te motiveren waarom afstand is genomen van de bevindingen van de toezichthouder. Daarmee berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering en is dit daarom in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Anders dan verweerder kennelijk meent, bood het rapport van de toezichthouder geen grond om aan de juistheid van de bevindingen ten aanzien van het perceel met de helling te twijfelen. Voor dit perceel is geen andere uitkomst mogelijk dan dat dit voor het jaar 2019 als niet subsidiabele landbouwgrond dient te worden aangemerkt. Voor de voormalige stortplaats biedt het rapport van de toezichthouder wel grond om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Uit dat rapport blijkt dat dat perceel door een ander in diens GO 2019 als subsidiabele landbouwgrond is opgegeven. Het beroep is gegrond. Het College vernietigt het bestreden besluit. Omdat het College onvoldoende informatie heeft om het geschil finaal te beslechten, draagt het verweerder op om een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
De uitspraak op rechtspraak.nl