CBb 24 mei 2022, ECLI:NL:CBB:2022:269
Voor zover de beroepsgronden inhouden dat appellante niet in de gelegenheid zou zijn gesteld haar volledige administratie over te leggen en deze dus niet beoordeeld zou zijn, falen deze gronden. Het beroep van appellante op schending van het verbod op vooringenomenheid door de ambtenaar die de controle heeft verricht op het bedrijf, faalt. Uit artikel 25, derde lid, van de Wva volgt dat indien een administratie niet voldoet aan deze eisen, een correctie-S&O-verklaring kan worden afgegeven. Anders dan ter zitting door appellante bepleit ziet het College geen reden waarom verweerder niet op deze wijze zou mogen controleren of het S&O-werk daadwerkelijk is verricht. Naar het oordeel van het College is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat uit de administratie over de jaren 2015, 2016 en 2017 van appellante niet op eenvoudige en duidelijke wijze de aard, de inhoud, de omvang en de voortgang van de door appellante verrichte S&O-werkzaamheden zijn af te leiden. De rechtbank heeft het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel op goede gronden verworpen. Het College is met rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat de administratie van appellante over de jaren 2015, 2016 en 2017 niet voldoet aan de eisen van artikel 24, eerste lid, van de Wva. Verweerder heeft daarom in redelijkheid gebruik kunnen maken van de in artikel 25, derde lid, van de Wva neergelegde bevoegdheid om de S&O-verklaringen van 2015 en 2017 volledig te corrigeren en de S&O-verklaring van 2016 bij te stellen naar 3.660 uren. Het hoger beroep slaagt niet. Het College bevestigt de aangevallen uitspraak.
De uitspraak op rechtspraak.nl