CBb 3 mei 2022, ECLI:NL:CBB:2022:199
Het beroep is gegrond. Appellante heeft het restaurant inclusief de bestaande overeenkomsten en vaste lasten overgenomen. De onderneming bevindt zich nog op hetzelfde vestigingsadres en verricht ook dezelfde bedrijfsactiviteiten als voor de overname. De uiteindelijk belanghebbende van appellante was bedenker van het concept achter het restaurant en hij was ook als bestuurder tot april 2017 en nadien als vraagbaak voor de overname nauw betrokken bij de bedrijfsvoering van de onderneming. Ter zitting heeft appellante toegelicht dat zij, op het moment dat het restaurant niet meer goed draaide, heeft besloten het restaurant met behoud van het concept over te nemen. De kenmerkende eigenschappen van de onderneming zijn dus bij de overname bewaard gebleven. Daarmee is de onderneming dezelfde – in artikel 1 van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies bedoelde – eenheid gebleven. Appellante is een ondernemer die dus een bestaande onderneming in stand houdt. In de referentieperiode heeft het restaurant omzet als bedoeld in de TVL gedraaid. Door de omzet van appellante in de referentieperiode te hanteren, gaat verweerder er dan ook ten onrechte aan voorbij dat de onderneming in de referentieperiode weldegelijk omzet heeft gedraaid. Dat appellante de onderneming pas na de referentieperiode heeft overgenomen doet daar niet aan af. Indien appellante de onderneming zou hebben overgenomen zonder wijziging van de rechtsvorm en dit niet zou hebben geleid tot een nieuwe inschrijving in het handelsregister, zou verweerder ten behoeve van de omzetbepaling wel hebben gekeken naar de omzet van de Stichting. Niet valt in te zien waarom de omzet in 2019 van de onderneming in de oude vorm niet representatief zou zijn voor de omzet van de onderneming in de nieuwe vorm.
De uitspraak op rechtspraak.nl