CBb 5 april 2022, ECLI:NL:CBB:2022:155

Accountantstuchtrecht. Klaagster was klant bij het administratiekantoor van de echtgenote van betrokkene. Hij was elders werkzaam, maar verrichtte ook werkzaamheden voor klaagster via het administratiekantoor. Volgens de accountantskamer is betrokkene hiervoor feitelijk verantwoordelijk te houden. Klacht m.b.t. jaarrekening gegrond; betrokkene had onvoldoende inzicht in de onderneming. Op verzoek van (een van de twee) aandeelhouders heeft betrokkene (buiten het administratiekantoor om) een waardering van het aandelenpakket gemaakt. Betrokkene was bekend met onenigheid tussen de twee aandeelhouders. Bedreiging voor het zich niet houden aan beginsel van objectiviteit niet onderkend. Klacht op dat punt ook gegrond. Maatregel: berisping. Zowel klaagster als betrokkene hebben hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep van betrokkene heeft het College ongegrond verklaard. Betrokkene had moeten afzien van het opstellen van een berekening t.b.v. de aandelenwaardering, dan wel klaagster op de hoogte moeten stellen van zijn betrokkenheid bij de berekening van de waarde van het aandelenpakket. Het hoger beroep van klaagster is gedeeltelijk gegrond verklaard, voor zover het gaat om de vermelding van de verkeerde bestuurders in de jaarrekening door betrokkene.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken