CBb 22 maart 2022, ECLI:NL:CBB:2022:133
- artikel 2, vierde lid, en artikel 12, eerste en tweede lid, Instellingswet Autoriteit Consument en Markt Door de complexiteit en de omvang van de zaak en de aanwezigheid van een nog niet door het College beantwoorde rechtsvraag is het geven van een rechtmatigheidsoordeel in het kader van een verzoek om voorlopige voorziening niet goed mogelijk en ook niet aangewezen. De voorzieningenrechter beperkt zich daarom tot een “zuivere belangenafweging”. De vraag die dan voorligt is of, los van de rechtmatigheid van het bestreden besluit, sprake is van onevenredig nadeel voor verzoekster in verhouding tot de met onmiddellijke uitvoering van het bestreden besluit te dienen doelen. Dat is hier het geval. Schorsing van de aangevallen uitspraak en (grotendeelse) schorsing van het bestreden besluit is, in afwachting van de uitspraak in de hoofdzaak, een aanvaardbare uitkomst.
De uitspraak op rechtspraak.nl