CBb 11 januari 2022, ECLI:NL:CBB:2022:13

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren: artikelen 91c, 91f, 91k, 91m en 93 Besluit diergezondheidsheffing 2019: artikelen 1,5 en 6 Besluit diergezondheid (geldend vanaf 1 januari 2022): artikel 5.1 Regeling identificatie en registratie van dieren: artikelen 38dd en 38ee Algemene wet bestuursrecht: artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b Verweerder heeft appellante een diergezondheidsheffing opgelegd die is berekend door het aantal kippen van appellante te vermenigvuldigen met het tarief per dier van € 0,451179, dat op grond van het Besluit diergezondheidsfonds 2019 gold voor legkippen die worden gehouden voor de productie van biologische eieren. Verweerder heeft de heffing berekend naar het tarief voor die categorie kippen, omdat de kippen van appellante in het Koppel Informatiesysteem Pluimvee (KIP) zijn geregistreerd als biologische legkippen. Appellante hield in de in geding zijnde periode geen legkippen, maar biologische, jonge hanen die bestemd waren voor de vleesproductie. Het KIP kende nog niet de mogelijkheid om deze hanen in een categorie onder die noemer te registreren. Het College oordeelt dat verweerder bij de heffing wat betreft de diercategorie of diersoort niet mocht uitgaan van de bij dit koppel in het KIP geregistreerde diercategorie of diersoort, omdat die registratie niet strookt met het feit dat het ging om jonge leghanen die waren bestemd voor de vleesproductie. Nu de jonge hanen die door appellante werden gehouden, waren bestemd voor de vleesproductie en niet gebleken is dat zij 17 weken oud of ouder waren, constateert het College dat zij geen (biologische) legkippen waren in de zin van artikel 1 van het Besluit diergezondheidsheffing 2019. Daarin is het begrip legkip immers als volgt gedefinieerd “kip die 17 weken of ouder is en gehouden wordt voor de productie van consumptie-eieren (…)”. Dit betekent dat verweerder de aan appellante opgelegde heffing ten onrechte heeft berekend naar het in artikel 6, derde lid, onder a, van het Besluit diergezondheidsfonds 2019 voor legkippen bepaalde tarief. Deze heffing is dan ook in strijd met even genoemde wettelijke voorschriften opgelegd. Het College voorziet zelf in de zaak door herroeping van het primaire besluit waarbij de heffing is opgelegd. Het College ziet in het Besluit diergezondheidsfonds 2019 onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de onderhavige kippen vallen onder één van de andere in dat besluit genoemde categorieën waarvoor een tarief is bepaald. Hierbij is van belang dat het Besluit diergezondheid per 1 januari 2022 voorziet in de nieuwe diercategorie ‘leghaan’ met een eigen tarief voor de diergezondheidsheffing. Het begrip leghaan is in dat kader gedefinieerd als “een haan van een legras die direct bestemd is voor de productie van vlees”. De hanen die appellante hield, vallen onder deze definitie. De toevoeging van deze nieuwe categorie wijst erop dat de in het Besluit diergezondheidsfonds 2019 genoemde categorieën kippen geen betrekking hadden op dergelijke leghanen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen