CBb 22 maart 2022, ECLI:NL:CBB:2022:126
Accountantstuchtrecht. Hoger beroep tegen de ongegrondverklaring door de accountantskamer van de verwijten dat 1) betrokkene niet integer heeft gehandeld in het geschil over de transactie waarbij bemiddeling heeft plaatsgevonden door de coöperatie waarvan betrokkene enig bestuurder is, en 2) betrokkene ten onrechte heeft geweigerd het geschil voor te leggen aan het scheidsgerecht. Het College ziet in dit geval geen grond voor het oordeel dat betrokkene in zijn schriftelijke reacties feiten heeft verdraaid, onjuiste stellingen heeft ingenomen, dan wel heeft geprobeerd om het onderzoeksbureau te misleiden. Dat partijen verschillen van inzicht over de rechtsgeldigheid van de transactie en appellante een andere lezing van de feiten heeft, is onvoldoende om aan te nemen dat betrokkene niet integer geeft gehandeld. Verder is het College van oordeel dat betrokkene in dit geval niet verplicht was het geschil aan het scheidsgerecht voor te leggen, omdat een dergelijke verplichting niet voortvloeit uit het reglement. Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl